VIJFDE TOONEEL

(In Athene. Marktplein, in het midden een spreekgestoelte. Aan de voorzijde van het plein een open tempelhal met Godenbeelden, bloemguirlanden en altaar. Eva, als Lucia, de vrouw van den veldheer Miltiades, komt met haar zoon Kimon, van verscheidene dienaressen verzeld, die offervoorwerpen dragen, naar den tempel toe. Op het marktplein luiert in lompen gehuld volk. Het is heldere morgen).

EVA
Hierheen, hierheen, mijn lieve, kleine knaap!
In gindsche verte droeg ’t snel zeilend schip
Uw vader, om den vijand te bestrijden.
Een ruwe natie woont daar, die vermetel
De vrijheid van ons dierbaar land bedreigde.
O laat ons vurig bidden, dat de hemel
’t Goed recht van ons geboorteland bescherme,
En dat uw vader ongedeerd terugkeer’!

KIMON
Maar waarom trok zoover mijn vader weg,
(op de menigte wijzend)
Dit laag, armzalig volk te gaan beschermen,
Terwijl hij thuis zijn vrouw om hem laat treuren?

EVA
Veroordeel zoo uw goeden vader niet.
Der Goden vloek daalt neer op zulke kindren.
Der minnende echtgenoot slechts komt het toe,
Te treuren om de grootheid van haar gade;
En toch is zij beschaamd waar hij die mist.
Uw vader deed, zooals het mannen past.

KIMON
Is hij te zwak dan? Vreest gij voor zijn neerlaag?

EVA
Neen, neen, mijn zoon, uw vader is een held,
Die overwinnen zal; ’k vrees slechts dit éene:
Dat hij zich zelf niet zal verwinnen.

KIMON
Hoe?

EVA
Een sterke stem spreekt in des menschen ziel,
De stem der eerzucht. In den dienstknecht slaapt zij,
Of zoo ze in zijn beperkten kring ontwaakt,
Ontaardt ze in schuld; maar waar zij met haar bloed
De vrijheid drenkt, daar groeit zij fier omhoog
Als burgerdeugd, en al wat schoon en groot is
Roept zij in ’t leven. Doch, te machtig wordend,
Werpt zij zich plotseling op haar eigen kindren,
En strijdt verwoed met hen op dood of leven.
Kon ooit haar stem mijn gade zoo beheerschen,
Dat hij zijn heilig vaderland bedroog, -
Ik zou hem vloeken. Laat ons bidden, kind.
(Zij treden de hal van den tempel binnen; intusschen hebben zich op de markt al meer en meer menschen verzameld).

EERSTE UIT HET VOLK
Nog hoort men niets wat hier de boel doet gisten;
’t Is of ons leger op geen vij and stiet.

TWEEDE UIT HET VOLK
En hier is ook een ieder even slaaprig.
Geen mensch smeedt, naar het schijnt, meer groote plannen,
Gelijk voorheen, voor wier tenuitvoerbrenging
Men naar den bijval dong van ’t „heerlijk volk”.
Al van den vroegen ochtend slenter ’k rond,
En kan geen kooper vinden voor mijn stem.

EERSTE UIT HET VOLK
Op die manier is ’t leven mooi vervelend.

DERDE UIT HET VOLK
Zoo’n klein opstootje waar, nog niet zoo kwaad.
(Eva heeft inmiddels het altaarvuur ontstoken, en bereidt zich het offer te brengen. Haar dienende maagden beginnen een hymne, die strophengeiwijze in het volgend tooneel zich mengt. De markt vult zich met burgers en gepeupel; twee demagogen vechten om het spreekgestoelte).

EERSTE DEMAGOOG
Weg, zeg ik, hier deez’ plaats behoort aan mij;
Zoo ik niet spreek, gaat ’t vaderland te gronde.
(Het volk schreeuwt zijn bijval uit).

TWEEDE DEMAGOOG
Dat gaat het, als gij spreekt. Weg met u, huurling!
(Het volk hoonlacht en klapt in de handen).

EERSTE DEMAGOOG
Gij zijt geen huurling, ja, geen wil u huren.
- O medeburgers, slechts met smart verhef ik
Mijn stem, want lijden moet elke eedle ziele,
Waar zij een grooten man in ’t stof moet trekken,
En ’t is een groot man, dien ’k van zijn triomfkar
Neerhalen moet, en voor uw rechtstoel sleepen.

TWEEDE DEMAGOOG
Wel sluw bedacht! gij kranst het offerdier,
Dat gij ten tempel sleurt, nog eerst met bloemen.

EERSTE DEMAGOOG
Van hier!

HET VOLK
Wat luistren wij ook naar den spotter?
(Zij plukharen den tweeden demagoog).

EERSTE DEMAGOOG
Maar schoon mij ’t harte bloedt, toch wil ik spreken,
Wijl ’k u, verheven, vorstelijk volk, nog hooger
Moet stellen dan ’k uw opperhoofd mag plaatsen.

TWEEDE DEMAGOOG
Stelt gij dit omgekocht, dit hongrend pak,
Dat als een hond is, die op afval loert
Van ’s meesters tafel, hooger? - O gij kruiper,
Ik kan u niet benijden om uw smaak.

HET VOLK
Weg met hem, weg; ook deze is een verrader!
(Nog meer beleedigingen. Eva offert twee duiven en wierook op het altaar).

EVA
O heilige Aphrodite, moog de rook
Des offers u behagen, hoor, o hoor
Mijn bede; niet den groenen lauwerkrans
Kom ik u vragen voor mijn ega’s hoofd,
’k Smeek slechts om vrede voor des helden hart.
(In den rook des offers verschijnt de glimlachende Eros, de Gratiën staan rondom hem en strooien rozenop hem. De omringenden zijn in aandacht verzonken).

DIENENDE MAAGDEN
Verhoor haar bede, heilige Aphrodite!

EROS
O vrouw, de zegen van het reine harte
Ruste op u!

GRATIËN
En der Gratiën bescherming
Zij met u!

DIENENDE MAAGDEN
Laat ons Aphrodite danken!

EERSTE DEMAGOOG
Verneem dus de aanklacht, volk! Miltiades,
De groote, heeft zijn vaderland verkocht.

TWEEDE DEMAGOOG
Gij liegt, gij liegt! o volk, wil naar mij luistren,
Of al de schaamte van te laat berouw
Komt over u.

EERSTE UIT HET VOLK
Gij zelf zijt schaamtloos, weg!
(Zij plukharen den tweeden demagoog).

EERSTE DEMAGOOG
Hem dient de bloem van onze jongelingschap.
Miet éénen slag kon Lemnos hij vermeestren,
En thans ligt hij voor Pharos werkloos stil.
Hij is dus omgekocht.

DERDE UIT HET VOLK
Dood over hem!

EERSTE BURGER
Nu, zult ge medeschreeuwen? doet gij ’t niet,
Dan jaag ik u nog heden uit mijn huizen.
(Het offer is ten einde, de Godheden verdwijnen).

EVA (oprijzend)
Wat leven is dit? laat ons zien, mijn zoon.

KIMON
’t Is een verrader, moeder, dien men oordeelt.

EVA
Wanneer een hongrend volk als rechter opstaat
Van een die groot is, klopt mij ’t hart steeds bang.
’t Gepeupel ziet, met leedvermaak en spot,
Dat wat eens uitblonk vallen in het stof,
Als kreeg dan ook zijn vuil recht van bestaan.

TWEEDE UIT HET VOLK
Heer, ik ben heesch, ’k zou anders gaarne schreeuwen.

TWEEDE BURGER
Daar hebt gij iets om u de keel te smeren.

TWEEDE UIT HET VOLK
Wat moet ik roepen?

TWEEDE BURGER
Roep: dood over hem!

VOLK
Dood, dood!

EVA
Zegt mij, van wien is hier toch sprake?

TWEEDE DEMAGOOG (op haar toetredend)
Van wien wel anders, arme, dan van hem
Dien ’t volk niet dulden kan, wijl wel een hoofd
Hij uitsteekt boven al zijn medeburgers.

EVA
Hoe, van Miltiades? - o groote Goden!
En ook gij, oude Crispos, dien hij eens
Vrijkocht van slavernij, wenscht thans zijn dood?

CRISPOS
Ach, eedle vrouw, vergeef mij; van ons beiden
Kan één maar leven. Die mij zoo doet roepen,
Heeft mij door mijn drie kindren in zijn macht,
Voor wie hij zorg draagt.

EVA
Wee u, dat ’t zoo is,
Dat u het lot dwingt, zoo u te verneedren.
’k Vergeef u, Crispos; uit u spreekt de honger.
Maar gij, Thersites, en gij allen, allen,
Die maklijk leven, rustig dommlen kondt,
Omdat mijn echtgenoot des vijands macht
Terugsloeg van uw poorten - o ondankbren!

THERSITES
Ach eedle vrouw, het valt mij zwaar genoeg;
Maar wat te doen? Het is de stem des volks.
Wie zette wel al wat hij heeft op ’t spel,
Deez opgestuwde golven te trotseeren?

EERSTE DEMAGOOG
’k Verkondig dus het welverdiende vonnis.
(Lucifer, als krijger, komt met verschrikte trekken aanstormen).

LUCIFER
Gevaar! De vijand is voor onze poorten.

EERSTE DEMAGOOG
Onmooglijk, onze nooit verwonnen veldheer
Beschermt ons.

LUCIFER
Juist hij zelf is deze vijand.
Vernemend, wat hier tegen hern gesmeed werd,
Ontstak zijn hart in welverdienden toorn;
Terwijl gij spreekt, naakt hij met vuur en zwaard.

TWEEDE DEMAGOOG
Gij zelf, verraders, hebt u dat berokkend.

HET VOLK
Ja, door verraders werden we opgehitst,
Dood over hen! - Dat onze veldheer leve!
Wee ons. - Een ieder vluchte, waar hij kan! -
’t Is alles uit!

EERSTE DEMAGOOG
Neen, voor de poorten ijlt,
Ert biedt den held onze onderwerping aan.

EVA
O Goden, bitter was de smart van ’t vonnis,
Waardoor gij mij den gade deedt verliezen;
Maar o, veel bitterder nog is ’t, dit vonnis
Verdiend te weten - schoon ik hem terugkrijg.

EERSTE UIT HET VOLK
Laat ons zijn gade hier gevangen nemen;
Zij sterve met haar kind, zoo hij ons aanvalt.

EVA
Mijn echtgenoot, ’k zal gaarne voor u sterven,
Zoo maar de vloek van ’t land mijn kind niet treft.

KIMON
Vrees, moeder, niet voor mij, o kom, kom met mij,
Dit heiligdom bewaart voor krenking ons.
(Zij vluchten voor de vervolgende menigte in den tempel, twee nimfen sluiten dien achter hen met rozenketenen tegen het volk af, dat zich terugtrekt. Buiten krijgsmuziek, het volk verstrooit zich weeklagend, de nimfen verdwijnen).

LUCIFER (zijn handen wrijved).
Dat was een mooie grap. Waar harten breken,
Daar kan ’t verstand zoo recht genoeglijk lachen!
(Zich naar de tempel omdraaiend)
Zoo maar niet de aanblik dezer altijd jonge
En altijd frissche schoonheid telkens weer
Verstoring in mijn plannen wist te brengen!
’t Wordt mij zoo koud in haar mij vreemden kring.
Zelfs ’t naakte maakt zij zedig, zelfs de schuld
Veredelt ze, en verheft des menschen lot
Door ’t met haar geurge rozen te doorvlechten,
En met de kussen van haar reine lippen.
Wat laat mijn wereld ook zoo lang zich wachten?
Waarom verschijnt ze niet, de dwerggestalte,
Tweeslachtig en afzichtlijk, om in walging
Die lieflijke begoochling te verkeeren,
Te niet te doen wat in den strijd met mij
Den reeds gevallen mensch altijd weer opricht? -
Nu, wij zien dra, of, waar de huivering
Van ’t sterven komt, niet ook een laatste grens
Zal zijn aan deze dwaze schaduwbeelden.
(Adam, als Miltiades, wordt aan de spits vangewapenden gewond op ’t tooneel geleid. Vóor hem het smeekende volk en de demagogen).

VOLK
Leve onze veldheer! Spaar ons, groote man!

ADAM
Wat dan misdreeft gij, wat moet ik u sparen?
En wat vroeg ooit de sterke van den zwakke? -
Maar echtgenoot noch kind begroeten mij.
Kan ’t wezen, dat een leed hun overkwam? -

EVA (op hem toetredend)
Miltiades, o waarom keerdet gij
Hierheen terug, nu, zelfs de trouw der gade
U ’t welkom niet mag bieden? - Ach, mijn zoon,
Uw moeder wankelt, steunt gij, steunt gij haar -
Uw goeden naam bevlekte uw eigen vader!…

ADAM
Wat is dat? Ik versta het niet. Bang smeekend,
Als tot een vijand, nadert mij het volk,
Mijn gade vloekt mij, en voor ’t vaderland
Bloedt deze borst. -

EVA
Maar sterker bloedt dit land,
En hier mijn hart. Of waarom komt gij, spreek,
Aan ’t hoofd van al uw troepen?

ADAM
Past dan niet
Zulk een gevolg mijn hoogen rang als veldheer?
Ik kwam omdat mijn zware wond niet toeliet,
Dat ’k verder aan mijn plicht van ’t heerbevel
Voldeed, ik kwam terug om in de handen
Van hen, die mij afzonden, in de handen
Van ’t heerlijk volk, mijn macht weer neer te leggen.
Hun rekenschap te geven.
(Tot zijn manschappen)
Gij zijt nu
Ontslagen, strijdgenooten; zoete rust
Van ’t huislijk haardvuur hebt gij wel verdiend.
En ook ik hang dit zwaard, Pallas Athene,
’t U wijdend boven dit uw altaar op.
(Hij laat zich de trappen van den tempel op geleiden. De krijgers verstrooien zich).

EVA (aan de borst van haar gade zinkende)
Miltiades, o waar is zaalger vrouw,
Dan de uwe ’t is, mijn groote en eedle gade.
Zie, zie uw zoon, hoe lijkt hij toch op u,
Zoo groot, zoo schoon en sterk!

ADAM
Mijn beide dierbren!

KIMON
Ik wist wel, dat hetgeen mijn vader deed
Ook goed gedaan was.

EVA
O, beschaam mij niet,
Wie had dit moeten weten zooals ik?

ADAM
Mijn zoon, der Godheid wijd uw vaders zwaard.

KIMON
(het zwaard boven ’t altaar ophangend)
Bewaar, Godinne, dit zoo dierbaar zwaard,
Tot ik het eens van u terug kom vragen.

EVA
Dat tot dit dubbel offer ook de moeder
Haar wierook brande; Pallas, zie het aan!
(Zij offert wierook).

EERSTE DEMAGOOG (op het spreekgestoelte)
Nu, was ’t niet waar, dat hij ons volk verraadde,
Dat hem Darius omkocht? Niets dan schijn
Is deze wond, om elken strijd te mijden.

VOLK
Hij sterve!

ADAM
Wat beteekent ginds dat leven?

EVA
Miltiades, o hoor dit vreeslijk woord:
De menigte noemt u opnieuw verrader.

ADAM
Belachlijke aanklacht; ik ware een verrader,
Ik, die bij Marathon heb overwonnen?

EVA
Ach, dat zoo ’t is! wel is ’t een booze wereld,
Die gij hier vindt.

EERSTE DEMAGOOG
Wat draalt gij, hem te vatten?
(Het volk dringt naar den tempel, in’t midden Lucifer).

EVA
Hier in dit heiligdom, hier zijt gij veilig,
Ga niet van hier. Waarom ook liet ge uw leger
Uiteengaan? Waarom niet deez hel van zonde,
Deez stad verwoest? Dit voik verdient slechts keetnen;
Geboren heerscher voelen u die horden,
U, die veel eedler zijt dan heel hun bende,
En dooden u, om niet voor u te knielen. -

EERSTE DEMAGOOG
Hoort gij wel, hoe de vrouw van een verrader
Durft spreken?

EVA
’t Is der vrouwe heilig recht
Om op te komen voor haar echtgenoot,
Zelfs waar hij schuldig is. Hoeveel te meer,
Waar hij zoo vlekloos rein is als mijn gade,
En waar zijn vijanden zoo laag als gij zijn.

EERSTE DEMAGOOG
Wat laat het heerlijk volk zich zelf aldus
Beschimpen?

EERSTE UIT HET VOLK
Als zij nu eens waarheid sprak?

EERSTE BURGER
Die ’t met hen houdt is zelf verdacht. Schreeuw dus,
Gij vuil geboefte, of kom van honger om.

HET VOLK
Dood over hem!

ADAM
Bedekt mijn zoon, hij zie
Mijn bloed niet vloeien, - vrouw, weg van mijn borst!
De bliksem, die de rots slaat, treffe u niet.
Dat ik slechts sterve - waarom zou ’k ook leven
Nu ’k heb gezien, wat ijdle vrijheid ’t is,
Waarvoor ik heel mijn leven heb gestreden?

EERSTE DEMAGOOG (tot het volk)
Hoe, wankelt gij nog steeds?

VOLK
Neen, neen, hij sterve!

ADAM
Niet vloeken wil ik dit laaghartig volk.
Het draagt geen schuld, ’t werd van natuur geschapen,
Dat zijn ellende ’t stempelde tot slaaf,
En dienstbaarheid tot bloedig werktuig maakte
Van elk door eerzucht aangespoord partijhoofd.
Ik enkel was een dwaas, die kon gelooven,
Dat zulk een volk de vrijheid noodig had.

LUCIFER (ter zijde)
Gij hebt uw eigen grafschrift uitgesproken,
En na u zal ’t op menig graf nog passen.

ADAM
Voert mij van hier. Niet verder maak ik aanspraak
Op de bescherming van dit heiligdom.
(Hij daalt de trappen af, Eva teeder in de armen harer vrouwen neerleggend).
Ziet, ’k ben bereid.

TWEEDE DEMAGOOG
Verdedig u, nog is er niets verloren.

ADAM
Diep zou deez wonde smarten, Zoo ik haar
Misbruiken kon tot mijn verdediging.

TWEEDE DEMAGOOG
Beproef het toch, dit volk heeft immers, pas
Geleden nog, in ’t stof voor u gekropen.

ADAM
O, juist daarom is alles nutteloos.
Het volk vergeeft zijn eigen schande niet.

LUCIFER
Zijt gij ontnuchterd nu?

ADAM
O, wel ontnuchterd!

LUCIFER
Ziet ge in, dat gij voor dit verdwaasde volk
Een beter heer waart, dan ’t nu is voor u?

ADAM
’t Kan zijn, maar beide de uitersten zijn schaadlijk;
Hetzelfde lot slechts onder andren naam.
Een ijdle poging is ’t daarvoor te strijden;
Ik geef die op. - Waarom ook zou naar ’t groote
Een gloeiend menschenhart bezield nog streven?
Hij leef’ zich zelf, en zoeke slechts ’t genoegen,
Vervulle daarmee gansch zijn kort bestaan,
En tuimle dronken naar den Hades dan! -
Voer mij op nieuwe banen, Lucifer;
Hoonlachend wil ik andrer deugd aanschouwen,
En andrer pijn, slechts hakend naar genot.
(tot Eva)
En gij, o vrouw, die - naar mijn hart mij zegt -
In de woestijn een schaduwrijk priëel
Eens voor mij tooverdet, zoo gij uw zoon
Op eedler moeder wijs, tot burger opvoedt,
Dan zijt gij dwaas, met recht hoont u de deerne,
Die met geverfde wangen in ’t bordeel huist,
Van wijn ontgloeid, den mond naar kussen dorstend.
Geniet, behaag, verloochen alle deugd. -
Op, thans ter richtplaats heen, op naar mijn straf!
Net wijl ik ooit in staat was tot het lage,
Neen, wijl ik voor een groot idee kon gloeien. -
(Ondertusschen is een blok voor de tempeltrappen gesleept, naast hetwelk Lucifer met een bijl staat).

EERSTE DEMAGOOG
Maakt er een einde aan. Leve ’t vaderland!

LUCIFER (halfluid)
Een prachtig afscheid! - Nu, gij dappre man,
Laat u nu de ijzige adem van den dood,
Die langs u strijkt, niet toch een weinig huivren?

EVA
O Pallas, hoordet gij niet mijn gebed?
(Van den tempel treedt de genius des doods, als zacht blikkende jongeling met omgekeerde fakkel en krans, op Adam toe).

ADAM
Het werd verhoord. - De hemel zij met u,
Mijn hart gaat in ter ruste, Lucia.

LUCIFER
Vloek over u, gij ijdle droomenwereld,
Die weer mij ’t schoonst moment ontstolen hebt. -

EVA
Vloek over u, gij laag en gevoelloos volk!
Ruw hebt gij aan mijn zaligheid getast,
En daadlijk viel haar frissche bloem in ’t stof.
Schoon nooit voor u zoo zoet de vrijheid is,
Als zij voor mij aan smarte is rijk geweest.


VisszaKezdõlapElõre