ZEVENDE TOONEEL

(In Constantinopel. Markt met eenige rondslenterende burgers. In het midden het paleis van den Patriarch, rechts een nonnenklooster, links een boschje. Adam, als Tancred in den bloei der mannelijke jaren, komt met andere ridders van het uit Azië terugkeerend kruisleger, met trommelslag en vliegende vaandels, Lucifer als schildknaap, Het is avond; later nacht).

EERSTE BURGER
Zie, zie, daar komt weer een barbarentroep.
Laat ons gauw vluchten, deur en poorten sluiten,
Dat niet opnieuw hij lust krijge om te rooven.

TWEEDE BURGER
Verbergen we onze vrouwen! al de lusten
Des Harems kennen deze wilde horden.

EERSTE BURGER
En onze vrouwen ’t recht des overwinnaars.

ADAM
Halt, halt, waarom neemt gij de vlucht voor ons?
Of ziet gij niet des kruises heilig teeken,
Dat broederlijk ons tot éen doel vereent?
Wij droegen ’t licht van ons geloof naar Azië,
De leer der naastenliefde, opdat zich ook
Aan die verwilderde millioenen, waar
De heilge wieg eens stond, die al ons heil
Mocht schommlen, zijn gena zou openbaren.
En onder u waar’ liefde niet te vinden?

EERSTE BURGER
Wij hebben vaak zoo fraai reeds hooren spreken,
Maar daarbij stak men ons het huis in brand.
(De burgers nemen de vlucht).

ADAM (tot de ridders)
Ziet gij, dit is de vloekbre vrucht er van,
Dat met een onrein doel zoo menigeen
In rooverhanden ’t heilig vaandel zwaait,
En, door den hartstocht van het volk te vleien,
Zich ongeroepen opdringt tot zijn leider.
Mijn ridderlijke vrienden, zoolang nog
Aan onbevlekten roem, Gods heilge glorie,
Bescherming van de vrouw, en heldenmoed
Ons zwaard gewijd is, zijn wij ook geroepen
Dien boozen demon vast in toom te houden,
En zoo te leiden, dat hij ’t groote en eedle
Ten spijt van zijne driften steeds volbrenge.

LUCIFER
Schoon spreekt gij, Tanered, maar toch als het volk
Niet meer gelooft, dat gij de leider zijt…

ADAM
Daar waar de geest is, is ook de overwinning.
Ik dwing het wel.

LUCIFER
En zoo ’t nu ook eens geest had?
Daalt gij er niet toe neer?

ADAM
Waarom neerdalen?
Is ’t dan niet eedler, zoo ik ’t tot mij ophef?
Om, uit gebrek aan medestrijders, bang
De zware plaats des strijds zelf op te geven,
Is zoo verachtlijk, als ’t bekrompen is
Geen medestrijders naast zich te gedoogen,
Hun ’t deel benijdende van loon en eer.

LUCIFER
Kijk, kijk, hoe diep alree het groote denkbeeld,
Waarvoor men in den Circus eenmaal bloedde,
Gezonken raakte; of noemt gij dit misschien
De gulden vrijheid van ’t individu?......
Voorwaar, een wonderlijke naastenliefde!

ADAM
Spot niet, noch meen, dat ik die heilge leer
Niet vatten zou. Ze is heel mijn levenswensch
Zij zegt wat ieder doen kan, ieder doen moet,
Die in zijn borst de heilge vonk voelt gloren;
Waar hij tot ons omhoogstreeft, heeten wij
Met heel ons hart hem welkom, in onze orde
Neemt hem de ridderslag als broeder op;
Maar tegen al de gistende elementen
Der dwaling moeten wij haar schatten hoeden.
O kwam reeds, kwam maar reeds die schoone tijd!
’t Werk der verlossing wordt alleen vervuld,
Wanneer de scheidsmuur valt, wijl alles rein is.
’k Zou twijflen aan de komst van zulke dagen,
Zoo hij, die ’t groote werk op touw gezet heeft,
Net de almacht zelf, de God der sterkte ware.
(Tot de ridders).
Gij ziet, mijn vrienden, hoe gij wordt ontvangen!
Te midden van deez dichtbevolkte stad
Staat gij alleen. Er schiet ons niets meer over
Dan ’t gindsche boschje tot ons kamp te maken,
Gelijk we er bij de Heidnen ons aan wenden.
Misschien nog neemt het dra een beetren keer;
Zet u in marsch, ook ik zal ras u volgen.
Een ieder hoofd staat voor zijn manschap in.
(Het kruisvaardersleger slaat tenten op).

LUCIFER
Hoe jammer, dat de pracht van uw ideeën
Weer als de pracht dier lokkende appels glanst,
Die buiten blozend, maar van binnen asch zijn.

ADAM
Houd op, gelooft gij aan niets groots dan meer?

LUCIFER
Wat zou ’t u baten, of ik ’t al geloofde,
Zoo uw geslacht niet deelt in dat geloof?
Deez ridderorde, die gij hebt gesticht
Gelijk een vuurbaak in de woeste golven,
Gaat eens te grond, half in elkaar gestort,
En zal dan voor den stouten reiziger
Een klip zijn, die hem meer gevaren brengt,
Dan de andre alle, die nooit licht verspreidden. -
Al wat er leeft en zegenbrengend werkt,
Sterft met den tijd, de geest vlucht er uit weg,
Hem overleeft als rottend aas het lichaam,
Dat in de nieuwe wereld, die rondom
Zich vormt, zijn moordende miasmen ademt.
Zie, op die wijze blijven zij ons bij,
De trotsche grootheen van het grijs verleden.

ADAM
Stort eens onze orde ineen, dan is wellicht
Haar heilge leer alree in ’t volk gedrongen.
Verloren is dan niets.

LUCIFER
De heilge leer,......
O juist die heilge leer was steeds uw vloek,
Waar ge eens uw hart aan haar hadt vastgeklemd:
Want net zoo lang hebt gij ze toegelicht,
Verdraaid, verdeeld, en op de spits gedreven,
Tot waanzin ’t einde wordt of kerkerstraf.
De volle waarheid, ’t afgerond geheel,
Kan menschenbrein niet in zich zelf beheerschen.
En toch dit is het altoos, wat gij zoekt,
U zelf, gij trotsche menschen, ten verderve.
Zie eens dit zwaard, een haarbreed grooter kan ’t,
Een haarbreed kleiner ook zijn, zonder nog
Van wezen te verandren; en zoo konden
Wij voortgaan, altoos voortgaan, zonder einde:
Of waar vindt al ons denken ’t uiterst punt,
Dat juist de grens trekt? En toch voelt gij ’t daadlijk,
Als maar in ’t groot het wezen is veranderd.
Doch waarvoor plaag ik mij? ’k Ben moe van ’t praten,
Zie zelf maar eens naar alle kanten rond.
(Eenige burgers verschijnen weder).

ADAM
Mijn vrienden, dit mijn moe gevolg verzoekt u
Een rustoord, en gewis, niet vruchteloos
Verzoekt het daarom in deez Christenhoofdstad.

DERDE BURGER
’t Is nog de vraag, of gij geen ketters zijt,
En erger dan een heiden is een ketter.

VIERDE BURGER
Biecht op wat gij gelooft: Homousion,
Of Homoiusion?

ADAM
’k Versta dat niet.

LUCIFER
Laat dat nooit blijken; hierop komt het aan.

VIERDE BURGER
Ziet gij, hij twijfelt, dat is ook een ketter.

VERSCHILLENDEN
Weg van hen! in ons huis ons opgesloten!
Vloek over hem, die hun huisvesting geeft.
(De Patriarch met vorstelijke pracht en gevolg komt uit zijn paleis, een troep monniken volgt hem, in ketenen geklonken ketters geleidend, ten slotte soldaten
en volk).

ADAM
Ik sta verbijsterd. - Maar wie is die vorst,
Die ginds zoo trotsch en opgeblazen nadert?

LUCIFER
De Patriarch, de opvolger der apostlen.

ADAM
En dan die walglijke, ongeschoeide troep,
Die vol van leedvermaak, bij schijn van ootmoed,
Geboeide menschen voor zich uit drijft?

LUCIFER
Monniken!
Een fraaie schaar van Christen-cynikers.

ADAM
Nooit zag ik in mijn vaderland zoo’n bende.

LUCIFER
Gij zult ze er later zien; ook uitslag, weet gij,
Verspreidt zich langzaam. Doch wees op uw hoede,
Dat gij d’onfeilbre deugden van die lui,
Die als onfeilbaar onverdraagzaam zijn,
Geen aanstoot geeft.

ADAM
En wat bijzondre deugd
Kan aan dat menschenslag wel eigen zijn?

LUCIFER
De deugd van afstand doen en van ontberen,
Die reeds aan ’t kruis uw meester heeft beoefend.

ADAM
Daardoor verloste hij geheel een wereld.
Maar deze lage wezens lastren God,
Oproerig ’t geen hij zelf ons gaf verwerpend.
Wie tegen muggen ’t zelfde wapen grijpt,
Waarmee te strijden tegen berenklauwen
Een heldendaad waar, handelt als een dwaas.

LUCIFER
Doch als zij nu in muggen beren zien? -
Wie kan dat recht hun nemen? en nog meer,
Ze voelen zich als helden, wie ontzegt
Dien helden ’t recht, om elk, die week geniet,
Ter hel te zenden?

ADAM
’k Hoor het aan, maar ben,
Als Thomas, ongeloovig. ’k Wil dit drogbeeld
Zelf onder de oogen zien.
(Hij treedt op den Patriarch toe).
Mijn vader, hoor mij,
Kampvechters zijn wij voor het heilig graf,
Aan wie het volk van deze stad verbiedt,
Hier uit te rusten van den verren tocht.
Gij die zoo machtig zijt, o wil ons helpen!

PATRIARCH
Mijn zoon, ik vraag niet naar zoo’n kleinigheid.
Mij roept slechts de eer van God, het heil des volks.
Ik moet het vonnis over ketters vellen,
Die als het giftig onkruid zich vermeerdren,
En die, schoon uitgeroeid door vuur en zwaard,
Met altoos nieuwe kracht de hel weer uitzendt.
Maar zoo gij strijders zijt van ’t heilig kruis,
Waarom bestookt gij verre Saracenen?
Hier is een erger vijand. Op dus, op!
Op naar hun muren, hen moet gij verdelgen,
Richt allen, grijsaard, vrouw en kind, te gronde!

ADAM
Niet de onschuld, vader, o verlang dit niet.

PATRIARCH
Onschuldig is de slang ook, als zij klein is,
Of waar haar giftand reeds is uitgevallen;
Verschoont gij die?

ADAM
Wel vreeslijk moet de schuld zijn,
Die zoo in toorn de kerk der naastenliefde
Kan doen ontbranden.

PATRIARCH
Zoon, niet dat is liefde,
Die ’t lichaam koestert, maar de ziele redt,
Waar ’t zijn moet ook door ’t zwaard of door de vlam;
Die spreekt: ’k ben niet gekomen om deze vrede,
Maar om het zwaard te brengen op deze aarde.
Dit boos geslacht der ketters laat niet af,
In ’t diepst geheimnis der drieëenigheid
Aan ’t Homoiusion zich vast te houden,
Terwijl toch onze kerk Homousion
Als dogma van ’t geloof heeft vastgesteld.

MONNIKEN
Dood over hen, de houtmijt vlamt alree!

ADAM (tot de veroordeelden)
Mijn vrienden, geeft die eene i toch prijs.
Veel schooner offert gij uw leven op,
Waar gij als helden sterft voor ’t heilig graf.

EEN BEJAARDE KETTER
Satan, verzoek ons niet! voor ’t waar geloof,
Gaan wij ten doode, waar Gods stem gebiedt.

EEN MONNIK
Praalt gij op ’t waar geloof, gij onbeschaamde?

KETTER
Waarom niet? Is niet Rimini’s Synode
En zooveel andre nog op onze hand?

MONNIK
Die wandelden op ’t dwaalspoor, maar ontken eens,
Als gij dat kunt, of soms die van Nicea,
En andre rechtgeloovige Synoden,
Niet met ons samenstemden?

KETTER
Uit partijschap!
Hoe durft gij u met ons nog vergelijken!
Waar is in gansch uw kerk er éen te vinden
Die als Arius is of als Eusebius?

MONNIK
Bezit gij soms een Athanasius?

KETTER
Bezit gij bloedgetuigen?

MONNIK
Meer dan gij!

KETTER
Verheven bloedgetuigen, die de duivel
Op ’t dwaalspoor lokte tot gevloekten dood!
’k Zeg u, gij zijt het groote Babylon,
De hoer, waar Sanct Johannes eens van schreef,
Dat zij van ’s werelds schouwtooneel vergaan zou.

MONNIK
’k Zeg u, gij zijt de draak met zeven koppen,
Gij, de Antichrist, waarvan de heilge spreekt;
Bedriegers, schurken, makkers van den duivel!

KETTER
Onrein gebroedsel, adders, drinkebroers!....

PATRIARCH
Voert hen vanhier, te lang reeds draalden wij,
Ter eere Gods geen met hen naar den mutsaard!

KETTER
Ter eere Gods, ja booswicht, goed gesproken,
Ter eere Gods is ’t, dat we als offers vallen.
Gij zijt de sterken, die naar wilkeur handelt;
Maar of gij ’t goede deedt, richt dra de hemel,
Die reekning houdt van al wat gij misdrijft.
Er zullen nieuwe krijgers uit ons bloed
Verrijzen, ons verheven denkbeeld leeft.
En ’t vuur, dat ginder vlamt, zal eeuw op eeuw
Door heel een wereld zegevierend lichten.
Op vrienden op, den dood der eere tegen!

DE KETTERS (zij zingen in koor)
1. Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? verre zijnde van mijne verlossing, van de woorden mijns weeklagens?
2. Mijn God! ik roep des daags, maar gij antwoordt niet, en des nachts, en ik heb geene stilte.
3. Doch gij zijt heilig… (Psalm XXII).

DE MONNIKEN (in koor invallend)
1. Twist, Heer! met mijne twisters, stirijd met mijne bestrijders.
2. Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijne hulpe.
3. En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet. (Psalm XXXV).
(Intusschen trekt zich de Patriarch en de stoet terug. Eenige monniken met tractaatjes mengen zich onder de kruisvaarders).

LUCIFER
Hoe staat gij daar zoo spraakloos, waarom huivren?
Ziet gij soms een tragedie in dit alles?
Beschouw het daadlijk maar als een komedie,
Dan zal zij u vermaken.

ADAM
Spot niet zoo,
Mij bloedt het hart. Kan men zoo vastbesloten
Ter dood gaan om de wille van eene i,
Welk offer is er dan nog grootsch en waardig?

LUCIFER
Mischien juist dat, waarover andren spotten.
Haarfijn getrokken is de grens, die ’t groote
Scheidt van ’t belachlijke; - de stem des harten
Is de eenige, die tusschen hen beslist,
En sympathie zoo heet deez vreemde rechter,
Die, onberekenbaar en geheimzinnig,
Of met zijn spot vermoordt, of wel vergoodt.

ADAM
Waarom moet ’k al dit onrecht ook aanschouwen!
Dit nietig twisten in de wetenschap,
Dit moordend gif met zooveel kunst getrokken
Uit ’t sap der kleurigste en der reinste bloem?
Die schoone bloem, ik heb haar eens gekend,
Toen ons vervolgd geloof tot rijpheid kwam.
Wie is de zondaar, die haar deed vergaan?

LUCIFER
Die zondaar is alleen de zege zelf,
Zij, die naar alle richtingen verstrooit,
En honderde belangen op doet groeien.
’t Gevaar, dat aantrekt, baart den martlaarsmoed,
’t Geeft kracht; deez ketters hier bewijzen ’t ons.

ADAM
Voorwaar, dit zwaard ik zou het van mij werpen,
En keeren in mijn noordlijk vaderland,
Waar manneneer en reine eenvoud nog,
In schaduw der voorvaderlijke bosschen,
Het gif van deez geslepen tijd trotseeren,
Zoo in mijn hart geen stem steeds fluistrend zeide:
Herscheppen en hervormen moet ge uw tijd.

LUCIFER
Een ijdel streven! Nooit kan de enkle mensch
Zich geldend maken tegen gansch zijn tijd;
Den stroom, die voorwaarts drijft of doet verzinken,
Zijn zwemmer, niet zijn leider is die enkle.
Hij, van wiens grootheid de kronieken spreken,
Begreep al wat er omging in zijn eeuw,
Maar nieuwe ideeën heeft hij niet gebaard.
Niet, wijl de hanen kraaien, gaat het dagen,
Maar kraaien gaan de hanen, wijl het daagt.
Zij, die daar gindsch in keetnen ’t martlaarschap
Zoo blijde tegensnellen, door den hoon
Der menigte verzeld, zij zijn hun tijd
Maar éen geslacht vooruit, een scheemring slechts
Der nieuwe ideeën is ’t, die voor hen opging;
Zij sterven voor iets, wat na luttel jaren
Door hun nakoomlingschap met ’t stof der straat
Zorgloos wordt ingeademd. - Doch genoeg,
Kijk eens een weinig naar uw kampement;
Wat gaan die vuile monniken daar rond,
Zie wat oreeren zij, elk hunner woorden
Verbindend met waanzinnige gebaren?
Wat bieden zij te koop? Laat ons eens luistren!
(Een monnik tusschen de zich om hem heen dringende kruisvaarders).

MONNIK
Koopt, strijders, koopt de leer der boetedoening,
Als leiddraad in den twijfel uwer ziele.
Zij leert hoe menig jaar de tempelschender,
De echtbreker, hij die valsch getuignis geeft,
De moordenaar, in ’t helsche vuur moet lijden.
En leert hoe voor een handvol gouden munten
De rijke een jaar der straf zich af kan koopen,
Terwijl er de arme met een drietal vrij komt,
En hij die buiten staat is te betalen
Kan ’t ook met een paar duizend geeselslagen.
Koopt dit onschatbaar boekwerk, koopt het, koopt!

EENIGE KRUISVAARDERS
Hier, hier er mee!

ANDERE KRUISVAARDERS
Ook mij een, vrome vader!

ADAM (verontwaardigd)
Ha slecht verkooper, en nog slechter koopers!
(tot Lucifer)
Trek ’t zwaard, en sla dien schachertroep uiteen.

LUCIFER (in verwarring)
Verschoon mij, dexe monnik is een vriend.
En eigenlijk bevalt mij wel deez wereld;
Zoo daar de roem des Heeren wat in steeg,
De mijne schijnt toch ook daarmee gerezen.
Gij enkel bleeft wat achter bij uw tijd.
(Eva als Isaura, en Helene, haar kamenier, snellen met angstige kreten op Adam toe, door eenige kruisvaarders vervolgd, die zich echter haastig uit de voeten maken, waar zij Adam gewaar worden).

EVA (ineenzinkend)
O krijger, red mij!

ADAM
(haar in de armen opvangende)
Eedle vrouw, sta op,
Hier zijt gij veilig. Sla omhoog den blik!
O hoe betoovrend! -
(tot Helene)
Spreek, wat is geschied?

HELENE
Wij wilden in het lommerrijke park
Den zomerdag genieten, zorgeloos
Ons op het frissche grasveld nedervlijend,
De nachtegalen hoorend, met hen zingend.
Daar zagen we eensklaps tusschen ’t dicht geboomte
Twee oogen blinken vol van wilden hartstocht;
Verschrikt ontvluchtten wij, ons achtema
Vier van het kruisheer, die ons lokken, dreigen;
Schier hadden ze ons bereikt, toen wij u vonden.

ADAM (in beschouwing van Eva verzonken)
Ik weet niet, mag ik uw ontwaken wenschen,
Zult gij dan als een droombeeld niet verdwijnen?
Hoe kan iets wat zoo schoon is en aanbidlijk,
Zoo gansch van geest doortrokken, stoflijk zijn?

LUCIFER
Zoo gansch van geest doortrokken! - Waarlijk ’t lot
Kon beter voor zijn dolheid den verliefde
Niet straffen, dan door alles waar te maken,
Wat hij onzinnig der beminde toedicht.

ADAM
Mij dunkt, dat wij elkaar reeds vroeger kenden,
Dat wij eens samen stonden voor Gods troon.

LUCIFER
Vóor alles bid ik u, wil niet vergeten,
Dat, zij voor twee uw liefde ook recht vermaaklijk,
Ze voor een derde al hoogst vervelend is.

ADAM
Zij opent de oogen - glimlacht, dank o hemel!

EVA
O gij mijn redder, hoe kan ik u danken?

ADAM
Dit woord van uwe lippen loont mij rijklijk.

LUCIFER (tot Helene)
Het loon zij schriel genoeg, ik krijg ’t niet eens.

HELENE
En welken dank zou ik u schuldig wezen?

LUCIFER
Verbeeldt ge u dan, dat ’s ridders edel zwaard
Ook u bevrijd heeft: VVelk een ijdelheid!
Wanneer de ridder de edelvrouwe redt,
Dan redt de schildknaap vast de kamenier.

HELENE
En wat won ik er bij? Of ik ben dankbaar.
En dan ben ’k daar, waar mij ’t gevaar bedreigde,
Of ’k ben niet dankbaar, en ook dat is jammer.
Die ons vervolgden waren ver van leelijk.

ADAM (tot Eva)
Waar, jonkvrouw, wilt gij, dat ’k u heen geleide?

EVA
Wij staan hier aan den ingang van het klooster.

ADAM
Het klooster, zegt gij? - o maar alle hoop
Sluit immers nog zijn poort niet voor mij af.
Geef mij een teeken, ’k hecht het aan mijn kruis vast.
Roept dit mij dan ten heilgen strijd, zal ’t andre
Mijn schoonsten droom nur weer voor oogen roepen,
En ’t zal mij niet verdrieten jarenlang
Te wachten, waar aan ’t eind uw min mijn loon wordt.

EVA
Ziehier dit lint.

ADAM
Een lint zwart als de nacht?
O neen, geef hoop, geef hoop, niet droefenis.

EVA
Dit is mijn teeken, ’k kan geen ander geven.
De hoop bloeit tusschen kloostermuren niet.

ADAM
Maar evenmin de liefde; en waar gij zijt,
Hoe zou daar, jonkvrouw, niet de liefde wonen?
Uw kleed bewijst het, nog zijt gij geen non.

EVA
O martel mij met verder vragen niet,
Gij martelt toch reeds, zie ’k uw leed vermeerdren.

LUCIFER (tot Helene)
Deez muren, zullen die ook u omsluiten?

HELENE
Ja, doch den sleutel wierp ik niet in zee.

LUCIFER
Hoe jammer! ’k had de roerendste elegie
Voor ’t droef geval al klaar.

HELENE
Schelm, pak u voort.

LUCIFER
Hoezoo? Is ’t dan geen grootsch idee, dat ik
In ’t diepst der zee ga duiken naar uw sleutel?

HELENE
O dat verlang ik ook niet.

LUCIFER
Zie, ik ga reeds.
De zeegedrochten loeren al op mij.

HELENE (ook spottend)
Keer, bid ik, heer, ik sterf bijna van angst.
’k Maak liever, dat de sleutel in mijn raam ligt.

ADAM (tot Eva)
Laat mij uw naam ten minste mogen kennen,
Dat ’k wete, wie ik insluit in mijn bede,
Om, waar gij mij niet gunt uw smartlijk lot
Te deelen, zegen op u af te smeeken.

EVA
Isaura is mij n naam. En de uwe, ridder?
Der kloostervrouw voegt beter nog ’t gebed.

ADAM
Men noemt mij Tancred.

EVA
Tancred, God zij met u!

ADAM
Isaura, o verlaat rnij niet zoo snel;
Zoo gij mijn naam voor ’t eerst slechts hebt genoemd,
Om mij vaarwel te zeggen, zou ’k dien vloeken.
Kort was dit oogenblik, zelfs voor een droom
Te kort nog. Hoe zet ik dien voort, wanneer gij
Mij zulk een raadsel blijft, en ’k niet in staaat ben,
Den dierbren draad daartusschen in te vlechten
Van uwen levensloop?

EVA
Verneem mijn lot dan.
Mijn vader toog als gij naar ’t heilig graf;
Op zeekren nacht, zijn kamp verrassend, dringt
Met vuur en zwaard de woeste vijand binnen;
Geen hoop op redding scheen meer voor hem mooglijk,
Toen deed hij deez gelofte: dat hij mij,
Die nog een kind was, mocht hij wederkeeren,
Der heilge maagd Maria wijden zou,
Hij keerde weder - en ik nam de hostie
Op zijn gelofte. -

ADAM
O gij heilge moeder,
Belichaming der hoogste en reinste liefde!
Keert gij van die onheilige gelofte
U niet beleedigd af, die op uw deugd
Den stempel drukt der zonde, en zoo in vloek
Des hemels mild erbarmen zou verkeeren?

HELENE (tot Lucifer)
En gij begeert niet, ook mijn lot te kennen?

LUCIFER
Dat ken ik reeds; gij mindet, werdt bedrogen,
Bemindet nogmaals en bedroogt toen zelf,
Bemindet weer - werdt van uw lief verzadigd;
Thans wacht uw leegstaand hart een nieuw bewoner.

HELENE
Dat ’s vreemd; de duivel zeker licht u voor.
(hem behaagziek aanziende).
Maar ’k had u voor zoo’n sukkel niet gehouden,
Dat gij gelooven zoud mijn hart stond leeg.

LUCIFER (tot Adam)
Heer, haast u toch! Gij kunt geen afscheid nemen,
En ik vermag mijn zegen nauw te keeren.

ADAM (tot Eva)
Elk woord van u, Isaura, boort me in ’t hart.
O wil het gif verzoeten met een kus.

EVA
Wat eischt gij, ridder? Gij kent mijn gelofte.

ADAM
Maar mij verbiedt gij toch niet u te minnen?

EVA
Gij zijt gelukkig! Ach, maar hoe vergeet ik? -
Tancred, vanhier! mijn kracht begeeft mij anders.
God met u! in den hemel zien we elkaar weer.

ADAM
Vaarwel! ’k Zal eeuwig dezen dag gedenken.
(Eva treedt het klooster binnen).

HELENE (ter zijde)
Gij sukkel! Dus moet ik maar alles doen?
(luid tot Lucifer)
Mijn sleutel ligt in ’t raam, niet in de zee.
(Zij volgt Eva)

ADAM (tot zich zelf komend)
Dus thans van hier!

LUCIFER
’t Is laat, de klucht is uit!
Kijk, zoo waanzinnig zijt gij mannen nu;
Eerst ziet gij in de vrouw alleen het werktuig
Van dierlijke begeerten, en gij wischt
Met ruwe hand het smeltend zachte waas
Der poëzie haar van ’t gelaat, u zelf
Beroovend van der liefste schoonste bloem;
Dan weer plaatst gij als Godheid haar op ’t altaar,
En bloedt en strijdt voor haar in ijdlen strijd,
Terwijl haar schoon daarbij onvruchtbaar wegkwijnt.
Waarom erkent en acht gij niet de vrouw
In d’engren kring der vrouwelijke roeping?
(Intusschen is het geheel donker geworden, de maan gaat op, Isaura en Helene staan aan ’t raam).

EVA
O hoe verlangend rustte op mij zijn blik,
Hoe beefde hij; ja, hij, de sterke held,
Voor mij heeft hij gebeefd; maar ach, de wet
Van vrouwendeugd en van geloof gebiedt
Mij hier te lijden - beider heilig offer.

HELENE
Hoe wonderbaarlijk is toch ons geslacht!
Waar we ons losrukten van de nauwe banden,
Waarin ’t vooroordeel ons geklonken houdt,
Daar jagen wij, gelijk aan wilde dieren,
’t Genot na, aller waardigheid ontbloot,
En wentlen ons verachtlijk zelf in ’t stof.
En rukken we ons niet los, dan siddren wij
Voor ’t eigen schaduwbeeld, en laten onze
Bekoorlijkheden renteloos verwelken,
En andren én ons zelf van vreugd beroovend.
Waarom geen middelweg gegaan? Of schaadt ons
Een vluchtig avontuur, een minnarijtje
In eer en deugd? Ik zie het heusch niet in.
De vrouw bestaat toch niet uit enkel geest.

EVA
Helene, zie of hij nog altoos hier is?
Hoe, kon hij zoo gemaklijk reeds gegaan zijn?
Slechts éens nog wilde ik zijn geluid vernemen.

ADAM (tot Lucifer)
Zie, of zij niet nog aan haar venster staat,
Of zij geen laatsten blik mij achterna zendt.
Slechts éens nog moet’khaar hemelsch beeld aanschouwen.
- Isaura! o vergeef, dat ik nog hier ben.

EVA
Wel beter waar ’t ons beiden, waart gij niet hier.
’t Verscheurde hart waar’ lichter dan genezen;
’t Smart slechts opnieuw, zoo men ’t opnieuw verscheurt.

ADAM
Vreest gij niet, in den kalmen nacht te staren,
Die klopt van liefde als een onmeetlijk hart, -
Te minnen, waar slechts ons dit niet vergund is?
Vreest niet dat zijn betoovring u vervoere?…

EVA
Ook in mij leeft dit alles; is ’t een droom,
Die van den hemel ons op aard verzelde?
Een lieflijk lied golft in den stroom der lucht,
Glimlachen zie ik achter ieder blad
De liefdesgeesten met hun zoete kussen,
- Maar niet tot ons meer, Tancred, spreken zij.

ADAM
En dat waarom? Zal mij deez muur weerhouden?
Ik die zoo vaak der Heidnen schansen nam,
Zou ’k dezen wal niet kunnen overklimmen?

LUCIFER
Neen, want dien wal beschermt de geest des tijds,
Die sterker is dan gij.

ADAM
Ha, wie zegt dat?
(Op den achtergrond wordt het licht van een brandstapel zichtbaar).

DE KETTERS (koor van verre)
21. Red mijne ziel van het zwaard, mijne eenzame van het geweld des honds.
22. Verlos mij uit des leeuwen muil, en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
23. Zoo zal ik uwen naam mijnen broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik u prijzen.

EVA
Aan de arme zondaars, Heer, betoon erbarmen!

ADAM (terugdeinzend)
Wat schriklijk lied!

LUCIFER
Ha, ha, uw bruidsgezang.

ADAM
Om ’t even; zij het, mij schrikt niets terug.
Voor u trotseer ik alles, mijn geliefde.

MONNIKEN
26. ............ laat hen met schaamte en schande bekleed worden die zich tegen mij groot maken.
27. Laat hen vroolijk zingen, en verblijd zijn, die lust hebben tot mijne gerechtigheid; en laat hen gedurig zeggen: Groot gemaakt zijde Heer, die lust heeft tot den vrede zijns knechts.
(Bij ’t begin van dit koorgezang is Adam, die naar de kloosterpoort stormde, blijven staan, op den toren krijscht een lijkuil, door de lucht vliegen heksen, en voor de poort rijst een geraamte uit den grond op, en staat dreigend voor Adam).

EVA (het venster toeslaand)
Help, Heer!

HET GERAAMTE
Terug van deez gewijden drempel!

ADAM
Wie zijt gij, spooksel?

HET GERAAMTE
Ik ben, wat daar zijn zal
In iedre omarming, ieder van uw kussen.

HEKSEN (hoonlached)
De vrucht is bitter, ’t zaad is zoet,
Van duivenjongen een slangenbroed.
Wij roepen u, Isaura!

ADAM
Wat gestalten!
Verandert gij u, of ben ik veranderd?
Ik kende u, toen me uw lippen tegenlachten.
Wat is hier waarheid, en wat is hier droom?
Mijn arm verlamt op uw betoovering.

LUCIFER
’k Kom onverhoopt in lief gezelschap hier.
Hoe lang reeds moest ik smachten naar dit heil!
Dit is de fijne, mooie heksentroep,
Die alle naakte nimfen overtreft
Aan onbeschaamdheid, en ook gij zijt daar,
Mijn oude hulp en makker, bleeke dood,
Gij die, een spotbeeld der ijskoude deugd,
Haar bij der aarde zoon verafschuwd maakt;
Weest allen mij gegroet. ’t Is jammer, dat ik
Den nacht niet m uw midden kan genieten,
(De verschijningen verdwijnen).
Op Tancred, op! Uw liefje sloot het venster,
Wat staan wij hier te rillen in derl nacht?
De wind blaast koud, de jicht wordt nog uw loon.
Zoo aanstonds komt Helene nog, wat dan?
De duivel kan toch moeilijk zich verlieven,
Hij zou voor eeuwig zich belachlijk maken,
En met zijn macht waar ’t dan voor goed gedaan.
’t Is wonderlijk: de mensch met heete borst
Smacht zoo verlangend naar het zoet der liefde,
En oogst slechts smart. De duivel met zijn ijsborst
Weet dikwijls nauw, hoe hij ze los kan worden.

ADAM
Voer, Lucifer, me een nieuw bestaan in de armen!
Ik toog ten strijd voor heilige idealen;
En laagheid kiemde tot mijn vloek er uit!
Tot eer van God bracht men hem menschenoffers,
En om ’t met mijn ideën te vervullen,
Stond dit geslacht te laag. Vereedlen wilde
Ik ’t zingenot, en brandde op dit genot
Der zonde stempel; ridderlijke deugd
Hield ik mij voor, en de tenuitvoerbrenging
Juist van dit denkbeeld stoot den dolk me in ’t hart.
Genoeg heb ik bewezen, wat ik waard ben,
Die ’k wist te strijden, en - kon afstand doen;
Mijn plaats kan ik verlaten zonder schaamte.
Nets zal nu in mijn borst meer geestdrift wekken, -
De wereld moog zich draaien hoe zij wil,
Ik wil niet verder in haar raadren tasten,
Haar fouten zal ik onverschillig aanzien.
Ik ben vermoeid van alles, en wil rusten.

LUCIFER
Zoo rust dan! Maar ik kan het nauw gelooven,
Dat ooit uw geest, die rustelooze kracht,
U rust zal laten. Adam, volg mij na!


VisszaKezdõlapElõre