VEERTIENDE TOONEEL

(Met sneeaw en ijs bedekte, bergachtige, boomloorz streek. De zon staat als een roode, stralenlooze bolf aan den hemel, temidden van nevelsluiers. Schemering, Op den voorgrond een Eskimohut tusschen enkele verbasterde berken, jeneverbessen en verkreupelde naaldenstruiken. Adam, als geheel gebroken grijsaard, komt op een staj leunend met Lucifer den berg af).

ADAM
Wat gaan wij door deze ongemeten sneeuwstreek,
Waar ons de dood met lichtlooze oogen aangrijnst?
En waar slechts soms een zeehond zich laat hooren,
Die, schrikkend bij ’t geluid van onze stappen,
Voor ons de vlucht neemt en in ’t water tuimelt;
Waar ook de plantengroei den strijd reeds moe werd,
Een enkele struik maar, van zijn stam ontaard,
Nog tusschen ’t mos zijn kommerlijk bestaan rekt,
En waar de maan met roodgetinten schijn
Van achter dikke nevels treurig uitkijkt,
Als ’t doodenlampje dat men brandt bij graven.
O laat ons gaan, daar waar de palmen groeien,
Naar ’t schoone vaderland van zon en geur,
Waar zich des menschen ziel tot vol besef
Van al haar eigen krachten heeft ontwikkeld.

LUCIFER
Daar zijn wij juist. Die roode, koude bol,
Waarvan geen gloed meer uitgaat, is uw zon,
En de evenaar ligt hier aan onze voeten. -
De wetenschap heeft ’t lot toch niet verwonnen.

ADAM
O droeve wereld, goed slechts om te sterven!
Ik treur niet om hetgeen ik hier verlaat. -
Doch Lucifer, ik, die weleer gestaan heb
Aan ’s menschen wieg, ik, die toen heb gezien
Wat groote toekomsthoop zich daarin wiegde,
Die zooveel strijd ten eind toe heb gestreden,
En peinzend thans sta aan dit reuzengraf,
Waarop natuur zelf ’t lijkkleed heeft geworpen,
Ik de eerste en ook de laatste mensch op aarde:
Ik zou vernemen willen, op wat wijze
Heel mijn zoo fier geslacht te gronde ging?
Is ’t grootsch, in eedlen heldenstrijd gevallen,
Of in ellende, lid voor lid verdord,
Geen traan meer waard, en zonder glans van grootheid?

LUCIFER
O ho, zoo ge ijdel op uw grooten geest zijt, -
Althans, wanneer gij in ’t geheel die kracht,
Die uwen bloedstroom in beweging zet,
En voor het ideale uw borst bezielt,
Aldus wil noemen, wensch dan geen getuige
Van ’t eind te wezen, en wensch niet te staan
Bij ’t eigen doodsbed. ’t Uur, dat gij daar staat,
Beschaamt soms wonderlijk de rekening,
Die zonder waard slechts door den gast gemaakt werd.
De doodskoorts zal ze dra verdreven hebben,
De schoone beeldenreeks der levenskoorts,
En wie weet dan wat werklijk is geweest?
’t Armzalig jamren van den laatsten tijd
Is een groot hoongelach om heel die worstling.

ADAM
Waarom ging ik niet onder op mijn toppunt,
In ’t vol besef van eigen kracht en waarde?
Hoe veel, veel beter waar’ die ondergang
Geweest, dan dat ik nu mijn eigen grafschrift
Onmachtig aan moet hooren, door den geest,
Die aan mijn strijd en aan mijn dood geen deel neemt,
Met krenkende onverschilligheid gelezen!

LUCIFER
’k Herken weer uw geslacht in deze tranen,
Waarmee ’t ontwaken uit geliefde droomen
Tot ruwe werklijkheid bij u verzeld gaat.
Maar troost u, nog is uw geslacht in leven.
Zie, ginds staat nog een menschelijke woning,
En de eigenaar er van treedt op den drempel.
(Een Eskimo treedt uit zijn hut naar voren, uitgerust voor de zeehondenjacht).

ADAM
Die dwerggestalte, dat verbasterd wezen,
Dorst ’t erfdeel mijner grootheid usurpeeren?
Wat liet gij, Lucifer, mij hem aanschouwen!
Voorwaar, die troost is erger dan mijn smart.

ESKIMO (hen vreesachtig gadeslaand)
Dus zijn er toch nog Goden boven ons?
Hier zijn ze mij verschenen, maar wie weet,
Of goed of boos ze zijn a het veiligst is
Dat ik maar gauw de vlucht voor hen ga nemen.
(Hij wil zich terugtrekken).

LUCIFER
Halt, eerst een woord!

ESKIMO (op de knieën vallend)
O, schenk mij, Heer, genade?
Den eersten zeehond, dien ik vangen zal,
Breng ’k u ten offer; spaar, o spaar mij slechts…

LUCIFER
Wat is uw recht dan op den zeehond wel,
Dat gij zijn leven voor het uwe biedt?

ESKIMO
Dat ik de sterkste ben: of zie ’k rondom mij
Niet, hoe de vlugge visch den worm verslindt,
Den visch de zeehond, en den zeehond ik?

LUCIFER
En met u voedt zich weer de groote geest.

ESKIMO
Zoo is ’t, zoo is ’t: maar in den korten tijd,
Waarin hij mij vergunt om hier te wezen,
Koop ik zijn toorn met bloedige offers af.

ADAM
Wat lage denkwijs!

LUCIFER
En deedt gij dan anders?
Dit eenig onderscheid is tusschen u:
Dat hij zeehonden en gij menschen offert
Op ’t altaar van dien God, dien gij u vormdet
Naar uw beeld, zooals deze mensch naar ’t zijne.

ESKIMO
Ik zie wel, gij zijt boos, en ’k voel, waarom.
Wijl ik in mijn ellende ook heb aanbeden
De zonnegodheid, die niet wenscht, slechts geeft,
En die ook naar de sagen onzer vaadren
Hier eens regeerde. O, wil het mij vergeven,
En eeuwig vloek ik haar.

ADAM
Zie, groote God,
Zie neer op dezen, bloos om ’t jammerbeeld,
Dat als uw meesterwerk gij schiept: den mensch.

ESKIMO
Uw makker is zeer toornig; is hij hongrig?

LUCIFER
Veeleer is hij zoo toornig, wijl hij ’t niet is.

ADAM
Uw flauwe geestigheid is hier misplaatst.

LUCIFER
Dit is geen geestigheid, ’t is de waarheid slechts.
Uw sophistiek is die van den doorvoede,
Terwijl de philosophische beschouwing
Uws makkers die der leege magen is.
Met gronden kunt ge elkander niet verwinnen,
Maar uw gevoel is éen, wordt hij verzadigd,
Of zijt gij door den honger uitgeteerd.
Ja, ja, hoe fraai ge ook phantaseeren moogt.
Het dier neemt bij u de eerste plaats toch in,
En pas wanneer het dier bevredigd is,
Dan komt de mensch weer boven, om vol trots
Op wat zijn hoofddeel is laag neer te zien.

ADAM
Wel uwer waardig spreekt gij, Lucifer,
Gij die met lachend leedvermaak in ’t stof trekt
Wat heilig is. Dus ieder edel denkbeeld
En iedre groote daad is etensdamp
Uit onze keuken slechts, of ’t bloot product
Van onze omstandigheen, die overal
Door wetten van de erbarmlijke materie
Geleid, en ook aan haar gebonden zijn?

LUCIFER
En wat is daarin vreemd? Of meent gij soms
Dat een Leonidas sterft in den bergpas,
Zoo hij, inplaats van zich met bruine soep
Te voeden in een arme republiek
Die nog geen weelde kent, een zoete roes
Zich aandringt in Lucullus’ rijke villa,
Voldoende aan al zijn lusten? Of misschien
Dat Brutus sterft, zoo na een goeden maaltijd
Hij huiswaarts ijlt, om bij zijn schoone Portia
Den prikkel tot den oorlog te verslapen?
Hoe plant de zonde, hoe de deugd zich voort?
Ellende en slechte lucht, ze baren deze,
Vrijheid en zonnestralen gene weer,
Op latere geslachten zich verervend,
In de eigen vormen steeds. Hoe velen zeiden,
Dat met zich zelf zij hadden afgerekend,
En hingen moedloos aan een boom zich op,
Maar waar een ongeroepen hand hen afsneed,
Daar heeft de nieuwe aanraking van het leven
Hun de oude afreekning ras weer doen vergeten. -
Zoo niet temidden van een waardig volk
De groote Hunyádi geboren ware,
Maar in de schauw der Saracenentent
Zijn wieg geschommeld had, wie weet of hij
Ook dan de groote held van ’t kruis zou zijn?
En of een Luther, zoo hij paus toevallig,
Zijn vijand Leo aan een hoogeschool
In Duitschland eens Professor waar geweest,
Of Luther dan geen banvloek had geslingerd
Op dien vermeetlen reformator Leo?
Wat wordt Napoleon, zoo niet het bloed
Van heel een volk zijn trotsche wegen baant?
Hij rot misschien in stinkende kazernen.

ADAM (Lucijer in de rede vallend)
Net verder! Al wat ge in uw spot verklaart,
Schijnt zoo eenvoudig, zoo waarachtig ook,
Maar is te meer verderflijk. ’t Bijgeloof
Maakt slechts den dwaas blind, die ook buitendien
Den geest niet voelt, die in ons woelt en werkt;
De hoogere natuur zou ’t haar verwante
Erkennen, zoo uw liefdelooze leer
Dien geest niet met haar koude cijfers doodsloeg.

LUCIFER
Spreek dus met uwen medemensch, ’t schaadt niet
Om in zelfkennis nog wat les te nemen.

ADAM
Bevat deez streek nog velen, die met moeite
Het leven rekken?

ESKIMO
Ja, wel velen, meer
Dan ’k op mijn vingers tellen kan. ’t Is waar:
Mijn buren sloeg ik allen dood, maar vruchtloos;
Er komen altijd nieuwen weer; en ach,
’t Zeehondenras is zooveel minder vruchtbaar.
Wanneer ge een God zijt, maak, ik smeek u, dat er
Wat meer zeehonden zijn, en minder menschen.

ADAM
Lucifer, laat ons gaan, het is genoeg.

LUCIFER
Neen, laat ons liever ook de vrouw nog zien.

ADAM
Niets meer wil ik aanschouwen. Waar de man
Gezonken is, daar biedt hij onzen oogen
Een aaklig schouwspel aan, doch slechts verachting
Wekt hij in ons gemoed. Maar waar de vrouw,
Dit ideaal, dit levende gedicht,
Gezonken is, daar wordt zij tot een spotbeeld,
Dat huivring wekt. Vanhier! ’k wil haar niet zien.
(Intusschen heeft Lucifer Adam naar de hut getrokken, thans stoot hij de deur open, binnen ziet men Eva, als vrouw van den Eskimo. Adam staart haar verstijfd aan, op den drempel geketend).

LUCIFER
Vindt gij in haar nog niet een oude kennis?
Omarm haar toch, want door dit eerbewijs
Der vrouw niet aan te doen zoudt gij gewis
Hier dezen eedlen man op ’t doodlijkst grieven.

ADAM
Ik deze omarmen, ik, die een Aspasia
In de armen hield! ’t Is waar, in deze zie
’k De trekken nog van gene flauw doorscheemren,
Maar zoo, alsof ze midden in haar kussen
Veranderde in een ondier.

ESKIMIO (in zijn hut gaande)
Vrouw, kom buiten;
Wij kregen gasten. Heet hen hartlijk welkom.
(Eva valt Adam om den hals, en trekt hem naar de hut).

EVA
Wees, vreemdling, mij gegroet; rust zacht hier uit.

ADAM (zich losmakend)
Ter hulpe, Lucifer! vanhier, vanhier!
Leid van de toekomst mij terug naar ’t heden,
Niet verder laat mijn lot mij meer aanschouwen,
Den vruchtloozen strijd. Laat me overleggen;
Kan ik niet nog den wil van God trotseeren?

LUCIFER
Word wakker, Adam, dan! Uw droom is uit.


VisszaKezdőlapElőre